Met gevoel voor ritme, interview met Jaap Voigt

Wie een scheppend leven wil leiden, heeft ritme nodig. Lang zocht Jaap Voigt naar een ritme in zijn eigen leven en vond dat. Jaap Voigt noemt zichzelf geen daoïst en al helemaal geen daoïstisch meester. Maar het daoïsme en de daoïstische geschriften zijn al wel zo’n veertig jaar zijn grote inspiratie-bronnen.
Hij leeft met de wortelboeken van deze eeuwenoude Chinese religie/filosofie en vertaalde haar belangrijkste geschrift: de Dao De Jing, die hij tevens van een eigentijds commentaar voorzag. De afgelopen tien jaar deed hij op basis van de I Tjing – dat andere belangrijke daoïstische geschrift – onderzoek naar hoe je als mens kunt leven in het ritme van de seizoenen.

In deze biografische schets vertelt Jaap Voigt (1941) waarom hij op zoek ging naar ritme in zijn leven en hoe hij dit von

‘Ik ben altijd een heel dynamisch persoon geweest met een grote motor, veel energie, veel interesses en een grote mate van nieuwsgierigheid. Heel lang heb ik me afgevraagd hoe ik een evenwicht tussen dynamiek en rust in mijn leven kon vinden. Vroeger kon ik altijd maar doorgaan en deed dat ook. Sterker nog: ik schoot door. Ik was met van alles tegelijk bezig en hierdoor had ik regelmatig het gevoel dat ik versplinterde, fragmenteerde. Op een gegeven moment dient er een periode te zijn waarin je naar binnenkeert, zodat er weer ordening ontstaat en je tot rust komt. Vervolgens kun je dan weer naar buiten toe. Die balans was er vroeger niet in mijn leven. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een leefritme waarin dynamiek en rust elkaar op een natuurlijke manier afwisselen. Dat heb ik gevonden door nauwgezet het jaarritme te bestuderen en hiernaar te gaan leven. Als je niet in ritme leeft, kun je niet scheppend zijn. Je kunt wel inspiratie ontvangen, maar je kunt deze niet in een geschikte vorm gieten.’

Belofte

‘Ik had en heb altijd ideeën genoeg. Ieder idee dat opkwam moest ik in het verleden van mijzelf volgen. Maar ik gaf een idee niet de tijd om te rijpen en ik onderzocht onvoldoende of het in de materiële werkelijkheid wel te realiseren was. Ik joeg het achterna tot het vorm gekregen had, of het mij volkomen had uitgeput doordat ik het maar niet tastbaar kon maken.

Omdat dit laatste regelmatig gebeurde, had ik het gevoel dat ik de dingen die innerlijk in mij leefden niet goed uit kon drukken, niet tot vorm kon laten worden. Hierdoor voelde ik een belofte in mij die niet tot volle wasdom kwam.

Gelukkig zijn er ook een aantal zaken in mijn leven waarop ik mij wel gemanifesteerd heb. En zelfs heel goed. Deze gaven mij steeds het zelfvertrouwen om door te gaan.

Zo was ik in mijn jeugd goed in hockeyen. Ik ben meerdere malen Nederlands kampioen geworden met mijn club Amsterdam en maakte jarenlang deel uit van het Nederlands elftal. In 1964 heb ik deelgenomen aan de Olympische Spelen in Tokyo.

Later ben ik als organisatie adviseur teams gaan begeleiden. Daar was ik ook goed in. Dit sloot in mijn ogen goed aan bij het hockey uit mijn jonge jaren, waar je ook in een team functioneert en ook met groepsdynamica te maken hebt. Weer later was ik leraar bij het ITIP (Instituut voor Toegepaste Integrale Psychologie), waarvan ik mede oprichter ben. En ook het leraarschap bleek heel goed bij mij te passen.’

Bedding

‘Als hockeyer, adviseur en leraar, kreeg de inspiratie dus wel op een heel natuurlijke manier vorm. Dat kwam omdat hier steeds een zekere mate van bedding en dus ook ritme aanwezig was. Met hockeyen moest ik trainen en de trainingsschema’s waren vastgesteld. Dat grondwerk was geregeld. Ik speelde mijn wedstrijden en toernooien volgens een vaststaand schema en daarin kon ik mij uitleven. Later bij het organisatie- en advieswerk was die bedding iets minder, maar ik haakte toch aan bij de organisatie waarvoor ik werkte. Dat was vaak frustrerend omdat er binnen zo’n organisatie veel veranderd moest worden, maar het was wel een bedding. Als leraar binnen het ITIP maakte ik samen met de andere leraren de leergangen en zo schiepen we onze eigen bedding.

Maar op het moment dat ik van binnenuit voelde dat ik iets alleen moest doen en er geen bedding was waarin ik kon werken, was het voor mij moeilijk om een balans te vinden en ritme te houden. Ik ben onlangs in Gaza geweest om in opdracht van een stichting artsen en verpleegkundigen te begeleiden. Zij verzorgen Palestijnen die slachtoffer zijn geworden van Israëlische aanvallen en dreigen nu zelf geestelijk ten onder te gaan aan alle ellende die zij meemaken. Ik wil een boek schrijven over mijn ervaringen daar en merk dat ik ook nu de neiging heb om te snel te willen produceren. Maar wat ik heb meegemaakt moet eerst nog verder indalen voor ik erover kan schrijven. De brokstukken zijn er, maar het moet nog een geheel worden. Wanneer ik nu ga schrijven, schiet ik van het één naar het ander en fragmenteert het geheel. Dan moet ik weer terug naar het begin en opnieuw beginnen. De laatste jaren heb ik gelukkig meer geduld en kan ik wachten tot zich een beginpunt aandient. Dan kan ik gaan schrijven en doorschrijven. Dan is rust de bedding, het beginpunt van waaruit ik produceer. Verlies ik de rust, dan bestaat de kans dat ik me verlies in de hoeveelheid en versplinterd raak.’

Stilte

‘In de tijd dat ik als hockeyer topsport bedreef, studeerde ik geologie en voor mijn studie deed ik maandenlang veldwerk, alleen in de bergen. Die stilte en het opgenomen zijn in de natuur heb ik altijd fantastisch gevonden. Ik kan me nog herinneren dat we in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken waren bij de Vinkeveense plassen. We woonden tussen de turfhopen. Ik vond het daar heerlijk. Er was heel veel spanning, maar toch had ik het goed. Ik kon me verbazen over het gras, het water, de beestjes. Later werd dit tijdens mijn studie vakmatiger, maar de verwondering is gebleven. Wanneer ik in de natuur ben, word ik innerlijk stil.

Die stilte tijdens mijn veldwerk als geoloog stond haaks op het hectische bestaan van een topsporter. Daarnaast moest ik ook nog geld verdienen en was het thuis niet makkelijk. Mijn vader werd namelijk ziek toen ik acht jaar oud was. Hij is nooit meer beter geworden en stierf toen ik tweeëntwintig was. Die perioden van stilte in de bergen hebben mij in die tijd min of meer in evenwicht gehouden. Ik hou van de aarde, van de natuur en ben natuurlijk niet voor niets geologie gaan studeren. Ik ben afgestudeerd op ertsen, maar heb nooit gewerkt als geoloog. Wel ben ik twee jaar marine officier geweest, ook daar deed ik bodemonderzoek.

Maar uiteindelijk was het niet mijn werk. Ik ben opnieuw gaan leren en organisatie adviseur geworden. Hierdoor kwam ik op het gebied van menselijke relaties terecht.’

Individuele en collectieve ontwikkeling

‘Ik weet nog dat ik mij op het gebied van de mens een buitenstaander voelde. Ik werkte rond 1970 in Drachten in een fabriek voor huishoudelijke apparaten en schrok van wat mensen elkaar aandoen. Iedere dag lieten mensen andere mensen van negen tot vijf in een fabriek werken. Dat was voor mij een gevangenis. Naar aanleiding van wat ik daar zag ben ik mij gaan verdiepen in groepsdynamica en besluitvormingsprocessen.

Toen werd me duidelijk dat de relatie tussen individuele groei en ontwikkeling en collectieve groei en ontwikkeling voor mij een heel belangrijk thema was. Hoe verhoudt een individu zich tot een collectief? Dit is in wezen de leidraad van mijn hele werkzame leven geweest.

Eind jaren zestig begon ik als organisatie adviseur en in mijn optiek is het collectief in de loop der jaren steeds turbulenter geworden en steeds minder ritmisch. Meer en meer een machine. De westerse cultuur is de afgelopen dertig jaar steeds materialistischer en ik-gerichter geworden. Werkelijke bezieling, werkelijk scheppend zijn is onbelangrijk en ongewenst. De macht van de economie regeert.

Binnen de organisaties waarin ik gewerkt heb – of het nu overheid, profit of non-profit organisaties zijn – heb ik gemerkt dat een individu dat werkelijk creatief en scheppend wil zijn, aan de zijlijn komt te staan. Zo iemand kunnen ze niet gebruiken, ook al wordt gezegd van wel. Het lijkt of zo iemand welkom is, tot hij gaat zeggen wat hij werkelijk vindt. Dan blijkt hij te tegendraads. Een man die als adviseur werkt bij een groot adviesbureau zei onlangs tegen mij dat hem verteld was dat hij niet bezig moest zijn met het boven water krijgen van de waarheid. Hij moest geld binnen brengen. Terwijl het juist zijn werk is om op een scheppende manier positieve veranderingen teweeg te brengen. Kort door de bocht gezegd is dit waar in onze hedendaagse cultuur de focus ligt.

De turbulentie, de druk, is voor het individu de afgelopen dertig jaar steeds groter geworden. Dat kun je ook terugvinden in statistieken. In 2004 leden 400.000 mensen aan een burn-out. Een burn-out is een symptoom dat aangeeft dat een individu zich niet staande weet te houden te midden van de turbulentie in zijn omgeving. Hij kan niet meer aanhaken bij de hang naar meer. Dit is een collectief probleem: we leven in een cultuur die enkel op winst en groei gericht is, als individu moeten we daar in mee, maar doordat de rust volkomen is verdwenen houden velen het niet vol of lopen op hun tandvlees. Deze spanning is weer mede oorzaak van die turbulentie. Een natuurlijk ritme is er niet meer. Maar het is wel belangrijk dat dit er weer komt en daarom heb ik mijn boek Leven en werken in het ritme van de seizoenen geschreven.

Adviseur van mensen

Vanaf midden jaren negentig ben ik me gaan richten op het individu en niet meer op het collectief, op teams, organisaties. Ik werd adviseur van mensen die veelal in de top van organisaties werkzaam waren. Ik maakte nog wel leergangen voor teams binnen organisaties, maar die werden door anderen uitgevoerd. Zelf was ik niet langer bezig met organisatieverandering. Ik had gemerkt dat het alleen voor een individu mogelijk is om ritmisch te leven. Collectieven zijn zo ingebed in de cultuur dat het voor een team of organisatie nauwelijks mogelijk is om volgens een natuurlijk ritme te leven.

Dit zou bijvoorbeeld inhouden dat een organisatie in november de tijd neemt om naar binnen te keren en zich af te vragen wat dit jaar gebracht heeft, wat gelukt is en wat niet. Welke organisatie heeft daar nog tijd voor?

Daarnaast was ik leraar bij het ITIP, wat een belangrijke bedding voor mij was. Hier deed ik de energie op die ik nodig had om in de meer zakelijke wereld mijn werk te kunnen doen. Zoals de balans in mijn jongere jaren min of meer in stand bleef door de combinatie van topsport en mijn veldwerk als geoloog, gebeurde dit nu door de combinatie van mijn leraarschap aan de ene kant en mijn werk als adviseur binnen organisaties aan de andere kant. Het leraarschap was een rustpunt waardoor ik energie kreeg en de strijd in de buitenwereld weer aankon.’

Hemel

‘Verwondering brengt mij in contact met de hemel. Ik heb mij altijd laten verwonderen. Nu, op oudere leeftijd, wordt dankbaarheid ook steeds meer een ingang voor dit contact: ik ben er nog, niet te geloven! De hemel is voor mij het onnoembare, het wonderbaarlijke, het ontzag en de vreze ook. Alles wat zichtbaar is komt eruit voort. De hemel komt door je heen wanneer je je geconditioneerdheid, je gewoontepatronen, loslaat. Het daoïsme kent een heel heldere kosmologische indeling: de Dao, hemel, mens en aarde. Rond mijn dertigste kwam ik voor het eerst met deze taal in aanraking. Ik pakte tijdens een verjaardagsfeestje de I Tjing uit een kast. Ik sloeg het boek open en dacht: deze taal versta ik. Vanaf die tijd ben ik met de Chinese filosofie bezig, zo’n veertig jaar nu. Maar ik ben geen daoïst en zeker geen daoïstisch meester. Wel word ik zeer geïnspireerd door het daoïsme. Met name ook omdat het wars is van institutionalisering. Binnen het taoïsme zijn er voor mij drie wortelboeken: de ‘Dao De Jing’, het boek van het onnoembare; de ‘I Tjing’, het boek der veranderingen en ‘De kunst van het oorlogvoeren’, het boek dat vertelt hoe je met extreme conflicten om kunt gaan. Volgens het daoïsme schept de Dao hemel en aarde en bevindt de mens zich tussen hemel en aarde. Dat vind ik zo’n goed beeld.  Hemel en aarde zijn neutraal en onveranderlijke grootheden, waar we nog heel weinig van weten. De straal van de aarde is 6300 kilometer. Wij weten iets van de korst en van de eerste 200 kilometer. Van de rest weten we niets. Van wat zich binnen in de aarde afspeelt, weten wij net zo weinig als van wat er in de kosmos plaatsvindt. Raadsels. Beide hebben een geheel eigen dynamiek waar wij als mensen tussen geplaatst zijn. Inspiratie komt uit de hemel, vormen ontstaan op aarde. Wanneer je de inspiratie kunt verbinden met de aarde, de vormenwereld, word je wijzer. Ritme is hierbij belangrijk. Je moet weten wanneer je een idee tot vorm kunt laten komen en wanneer het nog niet de tijd is.’

Onderstroom

‘De laatste tien jaar leef ik volkomen met het jaarritme. Maar ik speel er wel mee. Wanneer je dat zo’n twee jaar doet, blijkt uit ervaring dat het helpt bij het nemen van besluiten en beslissingen. Moet ik iets laten of juist iets doen? Is het tijd voor innerlijke of uiterlijke groei?  De afgelopen tien jaar is mijn kiel dieper komen te liggen, ben ik dieper tot mijn wortels doorgedrongen. Alsof er een kanaal in mij is gekomen dat leeg is en rustig blijft ondanks de turbulentie om mij heen. Naar buiten toe ben ik hierdoor veel beter geworden in het stellen van prioriteiten. Wat is er nu aan de orde? Moet ik naar buiten om iets aan te bieden, of om strijd te leveren? Naar binnen toe neem ik veel vaker de tijd voor stilte en rust. Ik heb in het jaar open periodes waarin ik alleen met mijzelf ben. Dit is een vorm van alleen zijn die ik heb moeten leren en ook nodig heb om later weer productief te kunnen zijn zonder te versplinteren.

Terwijl ik geneigd ben om door te slaan in productiviteit en werken, kan ik nu de rust behouden. Terwijl de drang er is, is er ondanks dat de rust en stilte. Ik leef meer in harmonie met de tijd van het jaar. Daarvoor hoef ik niet veel discipline te betrachten. Wanneer ik bewust ben, aandachtig voor wat er nu aan de orde is, komt de balans tussen handelen en niet handelen op een heel natuurlijke manier tot stand. Het is geen gezwoeg. Heel pragmatisch: wat is er aan de orde en wat is er niet aan de orde? En dat vertaald naar de seizoenen. In oktober bijvoorbeeld kijk wat het jaar mij gebracht heeft. Een beoordeling vanuit stilte. Wat heb ik bereikt? Wat had ik verwacht? Wat is er mislukt? Dat soort vragen. En dan komen er zeker een aantal illusies boven drijven. Tijdens de donkere dagen van november ben ik daar vervolgens mee bezig.

Het leven met het ritme van de seizoenen is inmiddels de onderstroom van mijn leven. Wanneer iemand mij eind november vraagt of we voor het eind van het jaar nog een nieuw project op kunnen zetten, zeg ik nee. Daar is het dan niet de tijd voor, dat kan in het voorjaar weer. Door zo met het ritme van het jaar te leven, geef ik gehoor aan de hemel. De seizoenen zijn een directe uitdrukking van de Dao en hierin krijgen alle dingen op hun eigen tijd vorm.’

Mysticus en kunstenaar

‘Wij moeten ons voortdurend verhouden tot onze omgeving en daarin keuzes maken.

Dit speelt zich af op het horizontale vlak, op aarde, maar wordt doordrongen door de verticale verbinding tussen hemel en aarde. Die verbinding kent twee richtingen. Je kunt vanuit de inspiratie, vanuit het idee, naar beneden werken. Dan word je gedreven door een idee dat je vorm wilt geven. Hierin ben ik zelf vaak doodgelopen en gefragmenteerd. Door de rust van het ritme waarin ik de laatste jaren leef, ben ik veel meer vanuit de belevenissen op aarde naar boven gaan werken. Dan probeer ik dat wat ik persoonlijk meemaak of om mij heen zie, boven het persoonlijke uit te tillen, waardoor universele, archetypische thema’s zichtbaar worden.

Die twee richtingen zijn voor mij steeds belangrijker geworden en ook duidelijker ervaarbaar: de stroom van boven naar beneden – de mysticus die op aarde wil zijn – en de lijn van beneden naar boven – de onderzoeker en kunstenaar die de feitelijkheid optillen naar het idee. In een goed schilderij of gedicht, zit ruimte in de materie. Een kunstenaar legt als het ware zijn ervaring op het altaar en probeert deze op te tillen.  Dit optillen, deze worsteling met de materie, vindt plaats vanuit dezelfde stilte als waaruit de mysticus of filosoof zijn inspiratie en ideeën vorm probeert te geven op aarde. Wanneer een kunstenaar tijdens zijn worsteling met de materie dit stiltepunt vindt, kan hij zijn ervaring optillen. Dat is wat ik scheppen noem.

Je dient dus aan beide kanalen gehoor te geven en daarbij speelt het leven vanuit ritme en grote rol. Wanneer je met het jaarritme leeft, bevruchten deze twee kanalen elkaar steeds meer. Geef je alleen gehoor aan de inspiratie, dan fragmenteer je. En wanneer je enkel vanuit de vorm leeft, krijg je het gevoel dat je in een gevangenis zit waar je niet uit kan.

Door te leven met het ritme van de seizoenen, is er in mijn leven een evenwicht gekomen tussen handelen en rust, tussen inspiratie laten indalen en vormen optillen.’

Wij zijn het ritme

‘Ik ben steeds meer mijn eigen bedding aan het worden. Het alleen zijn wordt steeds belangrijker. Mijn bedding is met name de natuur. Dat is altijd zo geweest en wordt steeds belangrijker. Ik ben zes weken per jaar in Griekenland, vier weken per jaar op Terschelling – en ga daar steeds vaker heen. Daar geniet ik van de stilte en krijg ik altijd nieuwe inspiratie.

Voor iedereen geldt dat hij of zij zijn eigen bedding moet maken. Heel concreet in de fysieke wereld, ingedaald in de stof. Anders blijft het kanaal niet open, in ieder geval niet bij mij.

Lang dacht ik dat het kanaal overal open kan zijn. Dat je in iedere situatie, te midden van welke tumult dan ook, ongebroken moet kunnen blijven, maar dat bleek een geïdealiseerd zelfbeeld. Wanneer je daaraan vasthoudt, vermijd je een belangrijke worsteling. Als je op aarde leeft, word je gebroken. In het gebroken zijn kun je contact maken met de hemel en heel worden, maar je keert altijd weer terug naar de aarde. De aarde (yin) is gebroken, en de hemel (yang) is heel. Als mens word je geboren en daarmee ga je van één naar twee: je komt in de dualiteit terecht. Het is onmogelijk om op aarde hemel te blijven. Wel kun je als mens tussen hemel en aarde in gaan staan, het ritme van de seizoenen volgen, en je eigen plaats innemen.

Dan blijkt leven een wonderbaarlijk proces dat door ons heen komt. Wat wij kunnen doen, is dit leven volgen. En dan blijkt dat wij als mens de seizoenen zijn: ons fysieke lichaam en ons gevoel, ons denken en ons ervaren doorlopen evenzeer de lente, de zomer, de herfst en de winter. Wij zijn de belichaming van dat ritme.’

Interview: Ronald Hermsen