GrondHouding Jaap Voigt

Ik wens een baken, een rustpunt te zijn, iemand die zelf in stilte leeft en mensen in moeilijke tijden wil bijstaan. Voor mensen die mij al kennen en voor mensen die bij mij 'op bezoek' willen komen.

Uitgangspunten, Vragen en Onderzoek

Vanuit de Eenheid gezien sluit ik mij aan bij de volgende aanhalingen:

Over de Waarheid en het verhaal van "ik". Een oud joods verhaal: De Naakte Waarheid

Waarheid, naakt en koud, was bij elke deur in het dorp weg gejaagd. Haar naaktheid maakte de mensen bang.
Toen Parabel haar vond zat ze weg gedoken in een hoekje, huiverend en hongerig. Parabel die medelijden met haar had, raapte haar op en nam haar mee naar huis. Daar kleedde zij Waarheid aan met Verhaal, verwarmde haar en stuurde haar weer naar buiten. Gekleed in Verhaal klopte Waarheid weer aan de deuren van het dorp en werd van harte welkom geheten in de huizen van de mensen. Zij nodigde haar uit om mee te eten aan hun tafels en zich te verwarmen bij het haardvuur.

Mijn eerste reactie was tot voor kort: nou, dan maar niet ontvangen worden en koud en hongerig zijn, het dan zo goed mogelijk voor mijzelf maken, onderduiken, in vrijwillige verbanning gaan, maar wel mijn integriteit behouden!!

Anoniem:

‘Er is geen verborgen Waarheid,
slechts waarheden die we weigeren te erkennen.
Waarheid ondermijnt het ‘ik’
waaraan wij ons zo wanhopig vastklampen.
De Waarheid is niet voor ons verborgen.
We verbergen ons voor haar.’

Ik heb in de eerste helft van mijn leven veel meegemaakt en daar kwamen fundamentele vraagstellingen uit naar voren. Ik voel mij diep verwant met wat Imre Kertesz (Hongaarse schrijver 1929 – 2016) zegt, die als 15 jarige jongen naar Auschwitz werd afgevoerd en daar dingen beleefde die de rest van zijn leven zouden bepalen. Hij voelde zich door zijn ervaringen “buiten de mensheid geplaatst” en zegt daar over:

“En toen ik mijn mond opendeed, begon ik misschien wel tot diegenen te spreken bij wie ik al lang niet meer hoor. Die kunnen de indruk krijgen dat ik over de scheidslijn (muur) ben gesprongen die, tussen mij en de anderen, is opgetrokken. Alsof ik een brug over de kloof geslagen heb van het niemandsland (waarin ik mij bevind) naar de zogenaamde mensheid en dat mijn woorden een soort krukken zijn, waarmee ik over die brug gewandeld ben en diegenen bij wie ik echt hoor achterliet, net zoals mijn lot, mijn herinneringen en de doden, die ik gestorven ben. Die indruk van die anderen waar ik al lang niet meer bij hoor is onjuist.
Die brug is hoe dan ook niet ‘bewandelbaar’, en als iemand het toch probeert, is de prijs hoog: hij verliest zijn creativiteit. De vraag is in wezen een andere: is het mogelijk dat zij aan de overkant begrijpen wat ik zeg, zonder dat ik de brug over te hoef te steken? En zodra ik het eerst woord zeg, getuig ik steeds weer, tot mijn eigen verrassing en ergernis, van hoop: dat is het probleem, en dat kan ik niet veranderen, ook niet als die hoop vals is.”

Plato

In de allegorie van de grot doet Plato (427 v.Chr. - 347 v.Chr.) zijn opvattingen uit de doeken over het mens-zijn en de menselijke kennis in relatie tot de realiteit.

Stel je een grote grot voor, die met de buitenwereld verbonden is door een gang met een dusdanige lengte dat er geen daglicht in de grot valt. Er zit een rij gevangenen met hun rug naar de ingang, en ze kijken naar de achterwand van de grot. Hun ledematen en halzen zijn zo vastgeketend, dat ze hun hoofden niet kunnen bewegen en noch elkaar, noch zichzelf kunnen zien. Dit betekent dat ze alleen de wand voor zich kunnen waarnemen. Zo hebben ze hun hele leven gezeten en kennen niets anders.

Achter hen bevindt zich een vuur. Tussen hen en het vuur lopen mensen met allerlei dingen op hun hoofd, waaronder stenen en houten figuren van mensen en dieren, heen en weer. De schaduwen van de dingen vallen door het vuur op de wand waar de gevangenen tegenaan kijken, die ook de stemmen weerkaatst van hen die de dingen sjouwen. Plato betoogt nu dat het enige dat de gevangenen in hun leven waarnemen schaduwen en echo's betreffen. Ze zullen denken dat deze de realiteit vormen, en hun gesprekken zouden over de waarneming van deze realiteit gaan.

Als een gevangene zijn ketenen zou kunnen afschudden, zou hij door de levenslange ketening in het halfduister zo verkrampt zijn, dat het alleen al pijnlijk voor hem zou zijn om zich om te draaien, bovendien zou het vuur hem verblinden. Hij zou volkomen in de war raken en zich weer willen omkeren naar de wand met schaduwen, naar de realiteit die hij begrijpt. Als hij uit de grot naar het felle zonlicht zou worden geleid, zou hij pas na lange tijd iets kunnen zien en dat begrijpen. Als hij eenmaal gewend zou zijn aan de bovenwereld en daarna terugkeerde in de grot, zou de duisternis hem weer tijdelijk verblinden. Zijn ervaringen zouden onbegrijpelijk zijn voor de andere gevangenen, omdat hun taal alleen naar schaduwen en echo's verwijst.

Zijn behendigheid om de weerkaatste schaduwen te zien en te omschrijven zal geleden hebben onder zijn ervaringen in het zonlicht en op de andere gevangenen zou hij minder slim overkomen. Ze zullen hem zelfs als een gevaar zien en mogelijk dreigen hem te doden.

 

Uit ‘Zinnig Eigenzinnig’ verzameling van werk van Hermann Hesse.

Fragment uit dagboek 1920/1921 (blz 126 e.v.)
Vandaag kwam er na lange tijd weer eens iemand naar mij toe. Ik had na het eten, om me warm te lopen en hout uit te sparen, mijn gebruikelijke winterwandeling gemaakt, was in een zachtjes vallende sneeuw tegen de twee uur onderweg geweest, en kwam weer thuis, stak vuur in de schouw aan en dacht: daar zit ik nou weer eens en zou net zo goed in Berlijn of Amerika of allang dood kunnen zijn, mijn doen en mijn leven is voor niemand van enig nut, verloopt eenzaam in zich zelf, zonder vrucht. Toen werd er aangeklopt, ik ging een beetje nors naar buiten, daar stond een vreemde dame, vroeg naar mij, kwam binnen, noemde geen naam, ging voor de schouw zitten en begon meteen te vertellen. Ze had behoefte om te biechten. Ze kende mij, omdat zij Demian had gelezen.

........

Er bestaat niets moeilijkers dan op de een of andere manier biechtvader of zielzorger te zijn. Er komen zo nu en dan mensen met dat soort behoefte naar mij toe, maar voor mij is het niet alleen moeilijk, het brengt mij gewoonweg achteruit en schaadt me. In de grond van de zaak kan ik, als zo’n arme drommel me zijn geschiedenis heeft verteld, eigenlijk niets anders zeggen dan: ‘Ja, dat is droevig, zo droevig is het leven vaak, ik weet het, het is mij ook zo vergaan. Probeer het te dragen en als niets meer helpt, drink dan een fles wijn, en als dat ook niets helpt, weet dan dat nog altijd de mogelijkheid bestaat om je een kogel door je kop te schieten.’

In plaats daarvan probeer ik de redenen, die tot troost zouden kunnen strekken, en mijn levenswijsheden op te sommen. En ook al ken ik werkelijk een paar waarheden, toch zijn ze op het moment dat je ze hardop uitspreekt en als medicijn tegen feitelijke, actuele pijn of smart verkoopt, een beetje theoretisch en leeg. En plotseling ben je in je eigen ogen een dominee, die, met de gebruikelijke spreuken, zijn mensen troost en daarbij het ellendige gevoel heeft iets alledaags op ambachtelijke wijze te doen.

Uiteindelijk komt een dergelijke houding in relatie tot andere mensen neer op wat Han-shan schreef (Daoïstsche dichter aan het einde van de T’ang dynastie die de bergen in gevlucht was, omdat er een moorddadige revolutie was uitgebroken, die een eind maakte aan de T’ang dynastie. Dat was net zo iets als wat er vandaag-de-dag in de “jas van deze tijd” gebeurt):

Hier kwijnen we weg, een stelletje arme toegewijde leerlingen,
Gehavend door extreme honger en kou.
Zonder werk, onze enige vreugde is de dichtkunst;
Krabbel, krabbel, peigeren wij onze hersens af.
Wie zal ooit het werk van zulke mensen lezen?
Op dat punt kun je je merkwaardigheden beter
voor jezelf houden.
We zouden onze gedichten op biscuitjes kunnen kerven
En de zwerfhonden zouden zich niet verlagen
door er aan te knabbelen.

Maar Lenard Cohen zingt in “Anthem” (Lofzang):

Ring the bells,
that still can ring.
Forget your perfect offering.
There is a crack in everything,
that’s were the light gets in.

Daar hoor ik bij: veel “cracks”, kijken in het duister en ervaren dat daar uiteindelijk licht uit komt. Dat proces ken ik en kan ik overdragen. Deze tekst maakt mij zachter.

Een verdere verandering in mijn houding trad op toen (9 juli 2017 Folegandros) ik een variatie op het joodse verhaal over de Naakte Waarheid las:

Een oud joods verhaal
Rabbi Waarheid en Rabbi Sprookje waren al lange tijd vrienden en trokken veel met elkaar op. Op een dag was Waarheid in tranen en bezocht zijn oude vriend. “De mensen moeten mij niet meer”, klaagde rabbi Waarheid. “Overal waar ik kom worden deuren gesloten en loopt men hard voor mij weg. Zou het komen omdat ik oud en gerimpeld ben?”
“Welnee”, zei Rabbi Sprookje, “Ik ben net zo oud en rimpelig als jij, maar voor mij gaan alle deuren juist wagenwijd open. Maar vertel eens vriend, ga je de laatste tijd steeds zo bloot over straat?”
“Ja, ik ben de naakte waarheid.”
“Geen wonder dat iedereen voor jou op de loop gaat, de mensen schrikken zich een hoedje als ze zo’n bloterik zien. Hier neem één van mijn kleurige mantels”, zei Rabbi Sprookje. “De mensen houden van schoonheid en willen graag verleid worden door mooie dingen.”
Vanaf dat moment reisden Rabbi Waarheid en Rabbi Sprookje samen rond in prachtige kleren en ze werden overal even vriendelijk ontvangen.

Oude Joodse gezegden:

  • Waarheden, concepten en verhalen zijn niet alleen bedoeld om te onderwijzen en te vermaken, zij zijn een bijdrage om de levensvreugde te vergroten.
  • Men kan de Schepper beter dienen door vreugde dan door weemoed, eerder met lachen dan met bittere tranen.
  • Niets is zo bevrijdend en tegelijk zo moeilijk als echte vreugde. Als de enige manier om je vreugde te schenken het doen van dwaze dingen is, doe dat dan. Bedenk desnoods een list om jezelf blij te maken.

Dit gaat allemaal over het gezichtspunt vanuit de Eenheid, dat eigenlijk uitsluitend in zichzelf rust, en weet dat de wereld van de dualiteit een illusie is. Dat ieder mens zijn eigen verbinding met God, het Onnoembare, moet maken, of niet, dat iedereen daarin alleen is, dat hulp daarbij in wezen niet bestaat en dat de zoektocht alleen maar gestart wordt, als onder ogen wordt gezien dat leven vanuit de menselijke conditionering een “mission impossible” is.

En toch…….

Is er ook een andere kant, namelijk dat de Eenheid zichzelf uitdrukt in de wereld, dat alles in de wereld een uitdrukking is van die Eenheid, dat ook het Leven in de dualiteit een uitdrukking van de Eenheid is, dat ieder mens, ook ik, een uitdrukking van die Ene is, dat ieder mens een unieke en natuurlijke functie van de Eenheid is en dat in de loop van het leven die functie uitgebeiteld wordt en dat lijden daarin de ingang van het “uitbeitel-proces” is.

Er is dus een verticale component in ons bestaan die leidt tot de ontdekking dat Eenheid, God, ook in ons huist en een horizontale component, waarin de omgang met mensen, situaties en dingen, ons helpt een zuiveringsproces in te gaan. Het gaat dan over het uitdrukken van de Eenheid die door mij heen komt in de wereld.
In de taal van de wereld heet dat “een functie uitoefenen” en daarmee wordt een inkomen verworven.

Mijn Grondhouding vertaald naar prioriteiten:

0. Zelf als basis Leegte en Rust en vanuit Stilte iets laten opkomen.

1Op gang brengen van stroom – zin/Brengen van levensvreugde/plezier in het leven/zin om avontuur aan te gaan/mogelijkheden geven om avontuur aan te gaan.

2. Waar stoot die stroom tegenaan = weerstand? Leren herkennen van “Dagelijks brood” (er zijn geen details, jezelf serieus nemen in wat je beleeft)/ huidige conflicten / vragen over je werk, relaties, leven. 

3. Punt 2 behandelen vanuit het zicht en de zin die je met 1 hebt opgebouwd, zodat je opgelucht raakt en weer (even) helemaal bij 1 komt. In 2 niet blijven hangen in actie - reactie op het zelfde niveau, dat lost nooit iets op; er is dan namelijk geen groter kader waarin het probleem/de vraag “op kan lossen”.

In dit proces komt op een fundamenteel vlak het onderscheid en de verbinding tussen Eenheid en dualiteit, Leven en Dood, man en vrouw, ik en de ander/ het andere aan de orde. Dat betekent het aangaan van een fundamenteel onderzoek naar de Natuurlijke Staat en Menselijke Conditionering, Waarheid en Sprookje, wat zijn feiten en wat is een mythe, wat is fictie en wat is werkelijkheid? Dan wordt duidelijk dat het doorleven van het aardse bestaan in al zijn facetten de zin van ons bestaan is.

Rustend in Zichzelf en een instrument van...: 
1. Jaap als het Onnoembare ervaart Ruimte, is stil, is vervuld en kan in zichzelf rusten. Er hoeft dan niets, alles is “om niet” en er is vrede. Die momenten zijn er. 
De behoefte om dit wonder uit te drukken is er eigenlijk niet. Maar als ik er iets over zeggen, wil dan kan dat door:

  • Meditatie
  • Teksten uit Bronnen van Geestelijke Tradities en mijn commentaar daarop.
  • Werk van kunstenaars en iets over hun leven

Het blijkt steeds weer dat ik daar niet kan blijven. Ik “incarneer” steeds weer. Ik schreef:

Waarom kan ik daar niet blijven?

Ik was er, waar het goed was,
waar alles klopte en ik klopte mee.
Ik was er, waar geen afstand was,
alleen maar Ruimte en ik loste op.
Ik was er, waar geen tijd was,
alleen maar eeuwigheid.
Waarom kan ik daar niet blijven?

Ik kende alle bomen en ieder blad,
en zij kenden mij.
Ik keek en de stenen kregen kleur,
de rivier een zilver lint,
de aarde kreeg een geur
en de mensen werden licht.
Woorden welden op in mij
en ik was blij,
met het zicht van een kind.
Waarom kan ik daar niet blijven?

 

2. Jaap als instrument van het Onnoembare, en als kind van deze tijd, wordt via functies zichtbaar in de wereld. En ik wens ook zichtbaar en vindbaar te zijn. Zoals Han-shan (Daoïstische dichter aan het einde van de T’ang dynastie) schreef:

Als je stil zit en nooit spreekt,
Welke verhalen zal je dan achter laten voor jonge mensen om door te vertellen?
Als je jezelf opsluit in het struikgewas van het bos,
Hoe kan de zon van wijsheid dan naar buiten schijnen?
Geen uitgedroogd karkas kan de hoeder van de Weg zijn,
Wind en vorst brengen ziekte en een vroege dood.
Ploeg met een os van klei in een veld van steen
En je zult de dag van de oogst nooit meemaken!

 

3. Mijn Archetypische functies die uitgebeiteld zijn door het Leven zelf zijn: onderzoeker, leraar, speler, organisator, artiest) Graag met behoudt van stilte en de vrede.

Onderzoeker
Mijn veld van onderzoek is mijn eigen leven. Ik ben bezig om hetgeen mij in mijn leven overkomen is en overkomt uit te zoeken, te verdiepen, te bevatten en te begrijpen. Mijn eigen leven is dus mijn onderzoeksveld en daarmee probeer ik iets te weten te komen over de algemene wetmatigheden van het Leven hier op aarde (“wat voor een plek is dit?”). Ontdekkingen draag ik, als leraar, over aan andere die dat horen willen.
Verwante functies: Goede Leerling, Verkenner, Ontdekkingsreiziger, Zwerver, Pionier

T.S. Eliot zegt:

‘We shall not cease from exploration
And the end of our exploring
Will be to arrive where we started
And know the place for the first time’

Leraar
Het gaat mij over het openhouden van een geestelijke weg vooral in maatschappelijke overgangssituaties.
Ik sluit aan bij het tijdloze, mythische verhaal van de Leraar omdat ik het niet kan laten om kennis en ervaring over te dragen aan een volgende generatie en aan allen die dat horen willen. Het gaat over het doorgeven van oer-waarheden en wetmatigheden van het leven.
Ik houd de weg open door oer-mythes van de menselijkheid herkenbaar te maken, de valkuilen van de huidige tijdgeest te beschrijven en te vertellen hoe je daarmee om moet gaan: functies vaststellen en overdragen in de jas van deze tijd en vaardigheden aanleren/trainen, die bij een functie horen.
Verwante functies: coach, therapeut opleider, trainer. 

Speler    
Als speler weet ik dat ik, in een afgebakende ruimte, mijzelf kan vergeten en daarmee boven mijzelf uit kan stijgen. Met behulp van publiek (stadion, klas, zaal) wordt het energieveld groter. Die energie kan gebundeld worden en daar kan ik van iets “doorgeven” dat vreugde bij het publiek /de toehoorder teweeg brengt. Dat brengt opluchting.
Verwante functies: acteur, kind-zijn, buitelaar.

Organisator
Ik houd van orde, van het stellen van prioriteiten en die waarmaken in mijn agenda. Van planning, zodat ik mijn activiteiten goed kan voorbereiden en dat ik overal op tijd ben. Ik vind het leuk om te organiseren dat een groep bij elkaar komt rondom een thema. Dat kan ik ook vrij eenvoudig uitvoeren zonder dat het mij teveel afleidt. Ik houd van ruitjespapier, waar de dingen overzichtelijk op staan.
Verwante functies: coördinator, opbouwer, spelmaker.

Artiest
Ik ken de worsteling met de stof, met een thema, met een probleem en de wens het “op te tillen” zodat er licht in en op gaat schijnen; dat er weer Ruimte komt. Ik heb de innige wens dat proces uit te drukken, zodat wat ik meemaak “verstaanbaar" wordt.
Ik heb de gave van het woord als expressiemiddel gekregen en geef dat vorm in lessen, lezingen, opleidingen en persoonlijke gesprekken. Daarnaast schrijf ik graag en maak ik gedichten.
Ik wordt sterk geïnspireerd door andere kunstenaars, dichters, schrijvers, schilders, “performance kunstenaars” en architecten. Ik besteed veel tijd aan het werk en de wonderlijke levens van kunstenaars waaruit dit werk voort gekomen is.